...

Aula joven - Intertaal

by user

on
Category: Documents
2

views

Report

Comments

Transcript

Aula joven - Intertaal
3
6. NO COMO CARNE
ESTA SOY YO
1. Onregelmatige werkwoorden in de Presente
2. Woordenschat: familierelaties
3. Vragen en antwoorden verbinden
4. Het uiterlijk van personen beschrijven aan de hand van
foto’s
5. Woordenschat: kleding
6. Aan de hand van een beschrijving herkennen wie de
personen
op een plaatje zijn
7. Twee gezinnen beschrijven op basis van een foto
8. Sonidos y letras: de klank /k/
9. En la red: afbeeldingen zoeken van het werk van Pablo
Picasso; een portret uitzoeken en dit beschrijven
10. Cultura
11. Trucos para aprender: zes Spaanse zinnen vertalen en
vergelijken met constructies in je eigen taal
12. Trucos para aprender: woorden en uitdrukkingen over
karakter, uiterlijk en familie rangschikken in een tabel
Autoevaluación
EJERCICIOS Unidad 3
1. Parecerse en medir zijn onrgelmatige werkwoorden.
Onderstreep de onregelmatigheden. Vervoeg daarna
conocer y vestirse in de Presente.
parecerse
medir
(yo)
(tú)
(él/ella/usted)
(nosotros/nosotras)
(vosotros/vosotras)
(ellos/ellas/ustedes)
me parezco
te pareces
se parece
nos parecemos
os parecéis
se parecen
mido
mides
mide
medimos
medís
miden
conocer
vestirse
(yo)
.......................
.......................
(tú)
.......................
.......................
(él/ella/usted)
.......................
.......................
(nosotros/nosotras)
.......................
.......................
(vosotros/vosotras)
.......................
.......................
(ellos/ellas/ustedes)
.......................
.......................
3. Schrijf op welk antwoord bij welke vraag hoort. Let
goed op de gebruikte lidwoorden en aanwijzende voornaamwoorden (zie Consultar, p. 29 van het tekstboek).
1. ¿Quién es Juan?
2. ¿Cómo es tu prima?
3. ¿Quiénes son aquellos de azul?
4. ¿Qué lleva Penelope?
5. Aquella de negro, ¿quién es?
6. ¿Son los que están en la puerta?
7. ¿Quiénes son esas?
8. ¿Cómo es tu novio?
9. ¿Quién es tu madre?
10. ¿Y tú? ¿A quién te pareces?
a. Mis hermanos.
b. Alto, delgado, tiene los ojos verdes…
c. Sí, son ellos.
d. El de la chaqueta marrón.
e. Un vestido de piel marrón y unos zapatos de tacón.
f. Una compañera de la facultad.
g. Muy simpática.
h. ¿Las morenas? Mis hermanas.
i. A mi padre. Tenemos los mismos ojos.
j. Esa que está en la puerta.
2. Vul de woorden in de juiste zin in.
abuelos
sobrinas
4. Schrijf op hoe de volgende personen eruitzien.
tío
cuñada
primo
suegros
hermano
Federica
Tomás
Diego
Regina
Sara
Pol
Roberto
Alicia
tía
1. El hijo de mi tío es mi .......................................................
2. La hermana de mi mujer es mi ........................................
3. El hijo de tus padres es tu ...............................................
4. Los padres de nuestra madre son nuestros .....................
5. El marido de su tía es su .................................................
1. Federica
tiene el pelo castaño...
2. Tomás . ............................................................................
3. Diego ...............................................................................
4. Regina .............................................................................
5. Sara..................................................................................
6. Las hijas de mi hermano son mis ....................................
7. Los padres de tu marido son tus .....................................
8. La hermana de mi madre es mi .......................................
20 veinte
6. Pol....................................................................................
7. Roberto ............................................................................
8. Alicia ...............................................................................
EJERCICIOS Unidad 3
5. Je ziet hier Manuel, Toni, Alicia en Reme. Welke
kledingstukken en accessoires dragen ze? Kruis het aan
in het schema.
6. Nuria, een meisje uit Barcelona, is naar Madrid
verhuisd om te studeren. Lees de e-mail die ze aan
Carlos heeft geschreven. Zet daarna de namen die
ze noemt in haar e-mail, bij het juiste plaatje.
Hola Carlos:
Manuel
Toni
Alicia
Manuel
Toni
Reme
Alicia
una gorra
una chaqueta
unos pantalones
una camiseta
una blusa
unos zapatos
unas sandalias
unas botas
unas zapatillas de deporte
un sombrero
un reloj
un jersey
unas gafas de sol
un vestido
una falda
unos pendientes
un bolso
unas medias
Reme
¿qué tal todo por ahí? Espero que bien. Yo estoy
genial. Hace solo dos semanas que llegué y ya
conozco a mucha gente, la mayoría compañeros
de la facultad. Hace unos días hicimos una fiesta
en la casa de Rosa, una compañera de clase, y la
verdad es que me lo pasé genial. En la foto que
te envío puedes ver a mis mejores amigos de
aquí. Rosa es la de las gafas, la morena de camisa blanca. Es muy simpática. La que está a su
lado es Ana, es la primera persona a la que conocí en la facultad. El del jersey se llama Mario y
es de Granada. El otro chico, el de la guitarra, es
Alberto y la rubia que está a su lado es su novia,
Carla. La verdad es que son todos estupendos.
A ver si un día vienes de visita y los conoces en
persona, ¿vale?
Bueno, me voy a estudiar un rato.
Besos,
Nuria
7. Bekijk de tekstjes van p. 32 van het tekstboek nog eens. Schrijf nu soortgelijke tekstjes over de foto’s hieronder.
A
Gema
B
Nacho
Ana
Ángeles
veintiuno
21
ADEMÁS… Unidad 3
¡/¿!*]? SONIDOS Y LETRAS
8. a. Sommige klanken worden op verschillende manieren geschreven. Kijk maar eens naar de volgende
woorden, waarin steeds de klank /k/ voorkomt. Zet de woorden in de juiste kolom.
queso
aquí
kilo
carta
colegio
actor
anorak claro
c
cuando
corto
quizás
directo
kárate
caramelo
kiwi
escribir
k
qu
b. Maak nu de uitspraakregels over de /k/ af.
De /k/wordt geschreven als c vóór de klinkers a,
eind van een lettergreep. Je schrijft qu voor de klinkers
, vóór de medeklinkers r en l, en aan het
en
en
.
Alleen in sommige woorden die afkomstig zijn uit een andere taal, wordt de /k/ als
geschreven.
EN LA RED
9. a. Ken je het werk van Pablo Picasso? Zoek op internet naar musea die zijn werk tentoonstellen en
bekijk afbeeldingen van zijn kunstwerken.
b. Kies uit de schilderijen die je hebt gezien, een portret uit. Leg aan je klasgenoten uit waarom je
juist dit schilderij hebt gekozen en geef er een korte beschrijving van.
Pablo Picasso, Retrato de Marie
Thérèse Walter (1936)
22 veintidós
@
@
ADEMÁS… Unidad 3
CULTURA
10. Beantwoord deze vragen over de tekst op p. 94 en 95 van het tekstboek.
1. Wat voor invloed hadden de vrouwen in Picasso’s leven op zijn werk?
2. Schrijf twee namen op van vrouwen die een grote rol in Picasso’s leven speelden. Wat was hun relatie met
Picasso?
TRUCOS PARA
APRENDER
11. a. Kijk naar de volgende uitdrukkingen. Ze komen uit
deze Unidad. Hoe zou je ze vertalen?
• Se pasa el día criticando a la gente.
• Tengo 18 años.
• Luis es un sol.
• Mido 1,72 m.
• Siempre está de buen humor.
• Juan se lleva muy bien con Pilar.
b. Vergelijk de Spaanse zinnen met je vertaling. Heb je
elk woord letterlijk vertaald?
een andere taal wilt
e ziet dat wanneer je iets in
erlijk kunt vertalen.
zeggen, je vaak niet alles lett
rukkingen die ongeZoek in zulke gevallen naar uitd
.
veer dezelfde betekenis hebben
J
12. a. Probeer je, uit het hoofd, zoveel mogelijk woorden of uitdrukkingen te herinneren over karakter, uiterlijk en relaties
tussen personen. Neem het schema over in je schrift en vul het in.
CARÁCTER
ASPECTO FÍSICO
RELACIONES ENTRE PERSONAS
b. Vergelijk nu jouw resultaat met dat van een klasgenoot. Zijn er woorden die jullie allebei hebben opgeschreven?
Ontbreken er belangrijke woorden in jouw schema? Vul je schema dan aan.
veintitrés
23
AUTOEVALUACIÓN Unidad 3
¿CÓMO APRENDO ESPAÑOL?
Beantwoord de vragen hieronder. Bespreek je antwoorden daarna met je klasgenoten en je docent.
• Heb je de doelen van Unidad 3 gehaald? Ben je tevreden over wat je hebt geleerd?
• Wat ga je opnemen in je dossier?
• Welk onderdeel van deze Unidad vond je …
… erg interessant?
… erg moeilijk?
… erg leuk?
… niet zo leuk?
• Hoe zou je kunnen oefenen wat je in deze Unidad hebt geleerd?
• In het gedeelte TRUCOS PARA APRENDER werden strategieën genoemd die je kunnen helpen bij het leren. Weet je misschien meer
trucs om beter Spaans te leren? Welke ga je het eerst gebruiken?
MI GRÁFICO DE ESPAÑOL
MUY BIEN
BIEN
REGULAR
MAL
pronunciación
MIS APUNTES
24 veinticuatro
gramática leer
vocabulario escuchar escribir hablar
Fly UP